22 juni 2026

Kabinet stelt criteria vast voor herprioritering infrastructuur

Infrastructuur als fundament van economie en welvaart

Rijkswegen, spoorwegen, vaarwegen en waterwegen vormen de ruggengraat van de Nederlandse economie. Zonder goed functionerende infrastructuur stokt de aanvoer van goederen, raken werknemers vertraagd en neemt de waterveiligheid af. Het kabinet erkent dit en wil de basisinfrastructuur weer op het gewenste niveau brengen. Het probleem: het beschikbare budget en de beschikbare capaciteit zijn niet groot genoeg om alle lopende en geplande projecten tegelijk uit te voeren. Dat vraagt om scherpe keuzes.

Waarom is herprioritering noodzakelijk?

Het kabinet investeert miljarden extra in infrastructuur, maar ook die extra middelen zijn niet onbeperkt. Geld én menskracht schieten tekort om exploitatie, onderhoud, vernieuwing én nieuwe aanleg gelijktijdig te realiseren. Dat maakt een herordening van alle rijksprojecten onvermijdelijk.

Minister Karremans van Infrastructuur en Waterstaat verwoordt het zo: “Infrastructuur is het fundament onder onze samenleving en economie. Het brengt werknemers en ondernemers op hun werk, zorgt dat de schappen in de supermarkt gevuld zijn en beschermt ons tegen overstromingen. Ons doel is om de basis weer op orde te krijgen. Daarvoor zijn scherpe keuzes nodig. Eerst onderhouden wat we hebben en daarna op een stevig fundament weer verder bouwen aan goede bereikbaarheid.”

Voor ambtenaren bij gemeenten, provincies en waterschappen die dagelijks werken aan bereikbaarheid, woningbouw of waterveiligheid, betekent dit dat de verwachtingen rond rijksbijdragen aan regionale projecten opnieuw moeten worden gekalibreerd. Niet alles wat gepland stond, gaat door op de geplande termijn.

Welke criteria bepalen de volgorde van projecten?

Op 19 juni 2026 presenteerde het kabinet de criteria voor de kabinet prioritering infrastructuurprojecten. Deze criteria zijn opgesteld met inbreng van de Tweede Kamer en medeoverheden. Alle projecten binnen het Mobiliteits- en Deltafonds worden beoordeeld over de volledige looptijd van beide fondsen tot 2040.

De volgende uitgangspunten staan centraal:

  • Juridisch vastgelegde of verplichte verplichtingen worden als eerste in acht genomen.
  • Projecten worden beoordeeld op mogelijkheden om slimmer, sneller en goedkoper te werken.
  • Onnodige regelgeving die de uitvoering belemmert, wordt geschrapt.
  • Bij nieuwe aanleg en vernieuwing staat de basisfunctionaliteit van de hoofdnetwerken centraal.
  • De beschikbare middelen worden zo effectief mogelijk ingezet, met nadruk op het beperken van uitvoeringskosten.

Voor medeoverheden is het relevant dat dit afweegkader ook de basis vormt voor gesprekken over regionale projecten. Wie als gemeente of provincie werkt aan een infrastructuurdossier, doet er goed aan de eigen projecten langs deze criteria te leggen voordat het najaar aanbreekt.

Veiligheid en instandhouding gaan voor nieuwe aanleg

Een duidelijke hiërarchie tekent zich af in het kabinetsbesluit: het in stand houden van bestaande infrastructuur krijgt voorrang boven nieuwe aanleg. Veiligheid staat daarbij altijd bovenaan. Waar mogelijk worden levensduurverlengende maatregelen ingezet om infrastructuur langer bruikbaar te houden. Vervanging vindt alleen plaats waar dat echt noodzakelijk is.

Pas daarna volgt de prioritering binnen het MIRT-aanlegprogramma, het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport. Lopende projecten worden hierin opnieuw gerangschikt. Voor waterschappen en provincies die werken aan waterveiligheid en regionale bereikbaarheid is dit een signaal: instandhouding van wat er al ligt, weegt zwaarder dan uitbreiding van het netwerk. Meer over de achtergronden van beleid en loopbaan in de publieke sector vind je op het kennisplatform van Ambtenaar.Online.

Perspectief: alternatieve financiering en regionale bereikbaarheid

De mobiliteitsbehoefte groeit, de woningbouwopgave is omvangrijk en weerbaarheid vraagt om blijvende investeringen in waterveiligheid. Dat vraagt in de toekomst om forse extra middelen die de rijksbegroting alleen niet kan opbrengen. Minister Karremans en staatssecretaris Bertram onderzoeken daarom alternatieve financieringsvormen, waaronder private bijdragen en Europese fondsen.

Staatssecretaris Bertram licht toe: “Met dit afweegkader willen we ook perspectief bieden op een sterke infrastructuur in de toekomst. Het gaat dan om de hoofdnetwerken, maar ook om de bereikbaarheid in de regio. Denk aan het combineren van meerdere vervoerssystemen. Maar onze blik is ook gericht op alternatieve financiering, duurzaamheid, innovatie en het verminderen van regelgeving. Door focus aan te brengen en keuzes te maken op de korte termijn kunnen we tempo maken. Niet alleen voor infrastructurele opgaven, maar ook voor andere grote opgaven zoals woningbouw en militaire mobiliteit.”

Het kabinet kiest voor een gebiedsgerichte aanpak samen met regio’s, gericht op betere benutting van spoorwegen, doorstroming op wegen en bereikbaarheid van voorzieningen. Digitalisering, publieke mobiliteit, autonoom vervoer en multimodale systemen spelen daarin een rol. Dit raakt direct aan de vacatures in infrastructuur en ruimtelijke ordening die momenteel openstaan bij overheidsorganisaties door heel Nederland.

Definitieve keuzes volgen in het najaar

De criteria zijn nu vastgesteld; de concrete besluiten op projectniveau volgen later dit jaar. Minister Karremans en staatssecretaris Bertram nemen in het najaar van 2026 definitieve beslissingen over wat op korte termijn wordt uitgevoerd, wat wordt uitgesteld en wat van de lijst verdwijnt. Medeoverheden en partners zoals vervoerders worden daarbij betrokken voordat de keuzes worden vastgesteld.

Voor ambtenaren die werken aan infrastructuur, bereikbaarheid of waterveiligheid is dit het moment om de eigen projectenportefeuille te toetsen aan de gepresenteerde criteria en tijdig het gesprek te zoeken met rijkspartners.

Bron: Rijksoverheid.nl, Kabinet: basis van onze infrastructuur moet op orde (19 juni 2026)

← Alle nieuwsberichten