De Staat der Nederlanden heeft een werknemer van de Belastingdienst in Eindhoven voldoende beschermd tijdens de toeslagenaffaire. Hij vroeg ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst en een schadevergoeding, maar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant wijst de schadevergoeding vandaag af. Wel krijgt de werknemer zijn gevraagde ontslag en de door de Staat aangeboden beëindigingsvergoeding. 

De werknemer werkt bij de Belastingdienst en werd in 2013 toegevoegd aan het onderzoeksteam om fraude tegen te gaan, het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF-team). Als lid van het CAF-team heeft hij in 2014 een boekenonderzoek (dat CAF-11 werd genoemd) gedaan naar de belastingaangifte van gastouderbureau Dadim. Ook deed hij een derden-onderzoek naar de bij Dadim aangesloten vraagouders. De Belastingdienst, afdeling Toeslagen, heeft na het boekenonderzoek en derden-onderzoek de kinderopvangtoeslag van de bij Dadim aangesloten ouders stopgezet. Veel van deze ouders kwamen in de problemen doordat zij de kinderopvang niet meer konden betalen. CAF-11 was aanleiding voor het bekend worden van wat is gaan heten de toeslagenaffaire. 

De publieke opinie en de aandacht van de Tweede Kamer lag bij de toeslagenaffaire niet zozeer op de te strikte regelgeving, maar vooral op mogelijke onrechtmatigheden bij het CAF-team en de handhaving door Belastingdienst/Toeslagen. De staatssecretaris heeft uiteindelijk strafrechtelijke aangifte gedaan tegen de eigen Belastingdienst. Het Openbaar Ministerie heeft besloten geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar aanleiding van de aangifte, omdat de conclusie na onderzoek is dat geen sprake is van een verdenking van enig strafbaar feit.

Klacht

Op 17 februari 2021 heeft de advocaat van ouders die aangesloten waren bij gastouderbureau Dadim een klacht ingediend tegen individuele ambtenaren, waaronder de werknemer. Er werd ook geklaagd over het door hem uitgevoerde controlebezoek. Nadat al deze ambtenaren door een adviescommissie zijn gehoord, besloot klaagster op 15 maart 2022 de klacht in te trekken. De werknemer verzocht vervolgens om afgifte van het door de adviescommissie opgestelde conceptadvies, omdat hij meent dat dit advies hem zou kunnen ontlasten. Na een beroep op de Wet open overheid gaf de Staat een blanco (met weggelakte tekst) conceptadvies af.

De werknemer zit inmiddels al enige tijd thuis met naar hij stelt ernstige psychische klachten. Daarom vraagt hij nu dat de kantonrechter zijn arbeidsovereenkomst ontbindt en dat hij een vergoeding krijgt van de Staat.

Standpunt wernemer

De werknemer stelt onterecht te zijn aangevallen op zijn integriteit, werk en reputatie en dat hij niet de mogelijkheid kreeg zich te verweren. Hij is naar eigen zeggen publiekelijk aan de schandpaal genageld en de Staat gunt hem geen rehabilitatie. Volgens de werknemer deed hij zijn werk goed en liet zijn werkgever hem ‘als een baksteen vallen’. Hij stelt dat zijn werkgever hem niet heeft beschermd tegen de onterechte beschuldigingen en dat hij als fraude-expert juist in een veilige omgeving moet kunnen werken.

Standpunt werkgever

De Staat betwist dat hij de werknemer of zijn collega’s liet vallen. De werknemer zou wel degelijk op verschillende manieren, waaronder ook in communicatie naar buiten toe, beschermd zijn. Ook is hem ruimte geboden om het gesprek te voeren met de ambtelijke en politieke leiding en zijn ondersteunende maatregelen getroffen. Wel begrijpt de werkgever dat de werknemer gelet op alle omstandigheden de arbeidsovereenkomst wil laten ontbinden. Bovendien toont de werkgever zich bereid een beëindigingsvergoeding aan de werknemer te betalen.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2024. De werknemer krijgt echter niet de zogenoemde billijke vergoeding die hij vraagt. Volgens de rechter blijkt uit alles wat de partijen over en weer naar voren hebben gebracht, niet dat de werknemer onvoldoende is beschermd en dat de Staat hem als een baksteen liet vallen. Het staat niet vast dat de communicatie van de staatssecretaris bijdroeg aan de negatieve beeldvorming richting het CAF-team, zoals de werknemer stelt. Op meerdere momenten is publiekelijk uitgesproken dat medewerkers naar eer en geweten handelden.

De rechter weegt verder mee dat de Staat zich rekenschap gaf van de impact die de aangifte zou hebben op de medewerkers van de Belastingdienst. Hij heeft geprobeerd om daarin alle medewerkers (dus ook de leden van het CAF-team) vanuit zijn politieke verantwoordelijkheid, maar zeker ook vanuit zijn werkgeversverantwoordelijkheid zoveel mogelijk te begeleiden en te ondersteunen, onder andere door extern maar ook intern te communiceren dat de aangifte niet ziet op individuele ambtenaren en dat hen ook nooit een persoonlijk verwijt zal worden gemaakt. Meer kan van de Staat als werkgever niet worden verwacht.

Als de werknemer besluit om zijn ontbindingsverzoek in te trekken, kan wel van de Staat worden verwacht dat hij probeert de door de werknemer ervaren vertrouwensbreuk bij de Belastingdienst en de overheid te herstellen. Als dit niet lukt kunnen de partijen samen herplaatsingsmogelijkheden onderzoeken. De Staat is immers een grote werkgever met legio herplaatsingsmogelijkheden voor de werknemer.


Lees het originele artikel